1
Een voetbal stuiter op de grond
A Hoe zie je aan de beweging van de bal dat er tijdens het stuiteren een kracht op werkt?
B Hoe kan je aan de bal zien dat er een kracht op werkt tijdens het stuiteren?
Tijdens het stuiteren is er een moment dat de snelheid van de bal nul is.
C Leg ui of de netto kracht van de bal dan ook nul is.
2
Een vader zit samen met zijn zoontje op een wip. Het zoontje heeft een massa van 18 kg, de vader een massa van 90 kg.
A Hoeveel keer zo groot is de massa van de vader?
B Teken hoe de vader en het zoontje samen op een wip kunnen zitten zodat er evenwicht is?
De wip is 5 m lang. Het zoontje gaat 30 cm van het einde af zitten.
C Waar moet de vader gaan zitten?
3
Een fietser rijdt een afstand van 1200 meter met een gemiddelde snelheid van 5 m/s
A bereken de tijd die de fietser over de afstand doet.
B Reken de tijd om in minuten.
C reken de snelheid naar km/h en de afstand naar km.
D bereken de tijd in uur.
E Laat zien dat de antwoorden op B en D hetzelfde zijn
4
Emile beweert: ‘Als je een pingpongballetje laat vallen beweegt het direct met een valsnelheid naar beneden.’
Elske denkt dat het pingpong balletje blijft versnellen totdat het de grond raakt.
A Leg uit of Emile gelijk heeft.
B Leg uit of Elske gelijk heeft.
C Hoe kun je met de videocamera van een smartphone onderzoeken of het pingpongballetje blijft versnellen tot het de grond raakt?
5
Een auto rijdt met eerst 30 minuten met een snelheid van 80km/h en daarna 20 minuten met een snelheid van 120km/h
A Bereken de totale afstand die de auto aflegt.
B teken de s.t-diagram van deze autorit. Gebruik voor de x as minuten en voor de y as kilometer
C Bereken de gemiddelde snelheid van de auto.
D Teken ook een v,t-diagram van de rit.
Antwoorden:
1
A De bal remt af en komt weer op gang (versnelt) omhoog. Daar is een kracht voor nodig.
B Bij het raken van de rond deukt de bal in.
C De snelheid is nul als de bal in het laagste punt is. De bal is dan helemaal
ingedeukt, de kracht van de grond op de bal is maximaal. De nettokracht is dan
zeker niet nul, maar juist groot en omhoog gericht. Dat blijkt ook uit het feit dat
de bal meteen een versnelling krijgt omhoog. (Anders zou de bal blijven liggen)
2
A De massa van de vader is 90kg / 18kg = 5x zo groot.
B het zoontje zit 2.5 meter van het midden en de vaden 0.5 meter.
C De vader moet 5x zo dicht bij het draaipunt in het midden zitten.
Het zoontje zit op 2,50 m – 0,30 m = 2,20 m van het draaipunt.
Dan moet de vader 2,20m / 5 = 0,44 m van het draaipunt zitten.
3
A 1200m / 5m/s = 240s
B 240 / 60 = 4 minuten
C 5m/s x 3.6 = 18km/h 1200m / 1000 = 1.2km
D 1.2km / 18km/h = 0,067h
E 240s / 3600 = 0,067h
4
A Emilie heeft ongelijk, het balletje versnelt eerst, tot het de constante valsnelheid
krijgt. (Dat duurt bij een pingpongballetje maar heel kort dus ze had bijna gelijk)
B Elske heeft ongelijk. Het balletje versnelt, maar door de snelheid ontstaat er ook
luchtweerstand. Die wordt al snel net zo groot als de zwaartekracht. Denettokracht is dan nul geworden, het versnellen stopt. Het balletje gaat verdermet een constante valsnelheid.
C Als je de film van het balletje beeldje voor beeldje terug kijkt, zou je dan moeten zien dat het balletje in elk volgende beeldje een grotere afstand aflegt.
Maar als je ziet dat na een poosje de val-afstand in elk volgende beeldje even groot is, blijkt daaruit dat de snelheid constant is geworden.
5
A 30 min = 0,5 h
20 min = 0,33 h
s = v x t = 80 km/h x 0,5 h = 40 km
s = v x t = 120 km/h x 0,33 h = 40 km
De totale afstand is 40 km + 40 km = 80 km
C
80 km = vgem x 0,83 h
80km / 0,83h = 93km
B &D :

Maak jouw eigen website met JouwWeb